De school wil een veilig en warm schoolklimaat creëren waarin iedereen zich goed voelt en maximaal kan ontplooien. Daarom hanteren we als school 5 gouden regels die wij zeer belangrijk vinden. Ze gelden voor de kinderen, leerkrachten, maar ook voor de ouders. Deze 5 gouden regels worden onderverdeeld in kleinere regels. Tijdens de gouden weken (eerste weken van het schooljaar) oefenen we samen met de kinderen de school-en klasregels goed in, zodat er een fijne basis gelegd wordt voor de rest van het schooljaar.
Wat extra duiding misschien: Elke gouden regel hoort samen met enkele kleinere regels:

1. Jij bent jij en ik ben ik, zo is iedereen uniek.
● We aanvaarden elkaar zoals we zijn.
● We aanvaarden elkaars grenzen: we zeggen stop dan houdt het op
● Het maakt niet uit hoe je eruit ziet, waar je vandaan komt, welke taal je spreekt of wat je gelooft. Iedereen hoort erbij
● We zijn eerlijk in wat we zeggen en doen.
● We behandelen elkaar zoals we graag behandeld willen worden.
● We communiceren op een respectvolle manier.
● We moedigen elkaar aan.

2. Nederlands leren is samen investeren.
● We spreken Nederlands in de klas, op school en tijdens activiteiten.
● Andere talen zijn ook waardevol: we gebruiken ze soms om elkaar te helpen of om iets beter te begrijpen.
● Tijdens de speeltijd spreken we vriendjestaal. Oudere lln worden gestimuleerd om NL te spreken, niet sanctioneren.
● We zoeken indien nodig zelf een tolk om het oudercontact vlot te laten verlopen.

3. Beleefd zijn, dat is voor iedereen fijn.
● We gebruiken onze toverwoorden: alsjeblieft, dankjewel, wablieft.
● We luisteren naar elkaar en laten anderen uitspreken
● We wachten onze beurt af om iets te zeggen.
● We groeten elkaar vriendelijk: ‘goedemorgen’, ‘tot morgen’, ‘goedenavond’.
● We gebruiken geen lelijke woorden of gebaren.

4. Respect voor materiaal, dat vinden wij geniaal.
● We zorgen goed voor ons speelgoed, boeken en de spullen van anderen.
● We houden onze school netjes.
● We hebben respect voor ons werk en dat van anderen.

5. Op tijd erbij, dat maakt ons blij.
● We staan op tijd in de rij.
● We geven huiswerk en briefjes op tijd af.
● We geven of nemen het gevraagde materiaal op tijd mee.
● We antwoorden op tijd op berichten.
- We volgen de communicatie van de school regelmatig op (Gimme).







